HET UNIVERSELE HUIS VAN GERECHTIGHEID
BAHA’I WERELDCENTRUM
31 december 1995
Aan de bahá’ís van de wereld
Innig geliefde vrienden,
1. Wij richten ons tot u op het moment dat de zes dagen durende raadgeversconferentie in het Wereldcentrum zijn laatste sessie beleeft, en het is in het spoor van de dynamische geest die deze conferentie bezielt dat wij de gelegenheid te baat nemen om ons besluit, dat het onderwerp van hun beraadslagingen was, bekend te maken: met Ridván 1996 wordt een wereldwijd verbreidings- en consolidatieplan gelanceerd dat vier jaar later met Ridván 2000 eindigt.
2. Dit vooruitzicht was de focus voor de gedachten van de achtenzeventig raadgevers uit de vijf continenten die samen beraadslaagden in aanwezigheid van de handen van de zaak van God Amatu’l-Bahá Ruhíyyíh Khanum, ‘Ali-Akbar Furutan en ‘Ali-Muhammad Varqá, de leden van het Universele Huis van Gerechtigheid en de raadgever-leden van het Internationaal Onderrichtscentrum. Hun consultaties over de uitdagingen en de vooruitzichten waar de bahá’í-wereldgemeenschap voor staat hadden zulk een gehalte en inhoud dat ze onze verwachtingen van een grote sprong voorwaarts in de groei en ontwikkeling van die gemeenschap in de jaren die onmiddellijk voor ons liggen hebben verstout.
3. Het hele plan zal met Ridván bekend worden gemaakt. Wij willen echter graag dat u nu reeds, binnen het kader van de besprekingen die op de conferentie van raadgevers plaatsvonden, van enkele zaken op de hoogte bent.
4. Het vierjarenplan zal op één hoofddoel gericht zijn: een duidelijke vooruitgang in het proces van het toetreden in groepen. Dit moet bereikt worden door een duidelijk waarneembare vooruitgang in de activiteiten en de ontwikkeling van de individuele gelovige, van de instellingen, en van de plaatselijke gemeenschappen. Scherpe aandacht voor alledrie garandeert een sterk uitgebreide, zichtbaar verenigde, levendige en samenhangende internationale gemeenschap aan het einde van de twintigste eeuw. De basisvoorwaarden kunnen als volgt worden samengevat.
5. De eerste verlangt een vitaliteit van het geloof van iedere bahá’í, die tot uitdrukking komt in persoonlijk initiatief en vastberadenheid bij het onderrichten van anderen, en door consciëntieuze persoonlijke inspanningen om in de energie en middelen te voorzien om de gemeenschap op te bouwen, het gezag van haar instellingen hoog te houden, en om plaatselijke en regionale plannen en onderrichtsinspanningen te steunen. De tweede vereist dat de plaatselijke en nationale bahá’í instellingen sneller leren hun verantwoordelijkheden op zich te nemen als kanalen van leiding, bij het plannen van het onderrichtswerk, het ontwikkelen van menselijke hulpbronnen, het bouwen van de gemeenschappen, en als liefdevolle herders van de massa. Voor de derde, het floreren van de gemeenschap op vooral het plaatselijk niveau, is een sterke verbetering nodig van de gedragspatronen waardoor de collectieve uitdrukking van de deugden van de leden en van het functioneren van de Geestelijke Raad kenbaar wordt in de eenheid en de kameraadschap binnen de gemeenschap en in de dynamiek van haar activiteiten en groei.
6. Om dit te bereiken moet het werk van de continentale raadgevers nieuwe dimensies aannemen. Daarom hebben zij op hun conferentie zaken besproken zoals:
– Ontwikkelingen in de manier van functioneren van de Continentale Colleges van Raadgevers.
– Het proces van het in detail uitwerken van het plan door het formuleren van afgeleide plannen en strategieën op het nationale, regionale en plaatselijke niveau. Gezamenlijke consultaties van de continentale raadgevers met de Nationale Geestelijke Raden zullen onmiddellijk na Ridván een aanvang nemen, en het planningsproces zal snel naar het regionale niveau worden doorgezet waarbij hulpraadsleden, Plaatselijke Geestelijke Raden en comités betrokken worden.
– De ontwikkeling van menselijke hulpbronnen om aan de behoeften van een snel ontwikkelende gemeenschap te voldoen. Voor groei op grote schaal zijn onafgebroken consolidatiemaatregelen nodig. Er moeten nu volgens vastgestelde regels geleide trainingsprogramma’s komen die worden uitgevoerd door instituten en andere scholingscentra. De raadgevers en hulpraadsleden zullen bij de oprichting en het functioneren hiervan intensiever betrokken raken.
– Doeltreffende benaderingen om Plaatselijke Geestelijke Raden te stichten en te consolideren. Overeenkomstig het doel om de volwassenwording van deze Raden te stimuleren is een grotere inspanning vereist om een levensbelangrijk beginsel hoog te houden, namelijk dat de verantwoordelijkheid voor het kiezen van een Plaatselijke Geestelijke Raad in de eerste plaats bij de bahá’ís van die plaats berust. De hulpraadsleden en hun assistenten moeten hun inspanningen vergroten om het begrip hiervan bij de gelovigen te vergroten en zij zullen meer aandacht besteden aan hulp bij de ontwikkeling van de Plaatselijke Raden. Met ingang van Ridván 1997 zullen alle Plaatselijke Geestelijke Raden ter wereld op de eerste dag van Ridván moeten worden gekozen.
– Verdere middelen voor de ontwikkeling van plaatselijke bahá’í-gemeenschappen. Gedeeltelijk zal in de behoeften hiervoor worden voorzien door het aantal leden van de Hulpraad voor Bescherming onmiddellijk te verhogen tot dat van de Hulpraad voor Verbreiding, zodat de Hulpraadsleden voor Bescherming direct en systematisch op grote schaal bij de primaire activiteiten van de gemeenschap kunnen assisteren, zoals de geestelijke verzorging van de individuele gelovigen, de deelname van vrouwen aan alle aspecten van het gemeenschapsleven, de viering van het Negentiendaagsfeest en Heilige Dagen, het houden van kinderklassen, het stimuleren van jongerenactiviteiten.
7. De zeven doelstellingen die in voorgaande plannen werden uitgewerkt beschrijven essentiële, onderling afhankelijke gebieden die in de jaren die voor ons liggen gelijktijdig moeten worden ontwikkeld. Het doel van het vierjarenplan om het proces van groepsgewijze toetreding te versnellen komt voort uit een noodzaak in dit stadium van de groei van de zaak en in de toestand van de maatschappij. Gezien vanuit dit perspectief moeten de drie onafscheidelijke deelnemers in de evolutie van de nieuwe wereldorde — het individu, de instellingen en de gemeenschap — nu meer dan ooit hun vermogen en bereidheid tonen om een grote massa nieuwe aanhangers te verwelkomen, om de geestelijke en bestuurlijke transformatie van duizenden en nog eens duizenden te bewerkstelligen, en boven alles, om het leger van toegewijde leraren met kennis van zaken te verveelvoudigen, leraren van een geloof dat tevoorschijn is getreden uit de onbekendheid, iets wat in het bewustzijn van ontelbare menigten over de gehele aarde moet worden opgenomen. Dit zijn enkele van de gedetailleerde overwegingen in de beraadslagingen van de continentale raadgevers, die bij hun terugkeer thuis en in de loop van hun werk de gelegenheid zullen vinden om de resultaten van hun conferentie met de vrienden te delen.
8. Een voorspoedig begin van het nieuwe plan zal grotendeels afhangen van de resultaten van het huidige, dat over slechts enkele maanden zal aflopen. [In hoeverre deze resultaten toereikend zijn zal grotendeels afhangen van de mate] Het gehalte van deze resultaten zal veel verschuldigd zijn aan de mate waarin de Plaatselijke Geestelijke Raden en de vrienden de opdrachten van hun Nationale Geestelijke Raad, de generaals van ieder plan, uitvoeren. De tijd glipt weg. Dit feit moet ons allen tot maximale actie aansporen. Het is daarom dat wij, ons voorbereidend op hetgeen ons aan de nabije horizon wenkt, niet kunnen en niet mogen weifelen om alle mogelijke energie aan te wenden om het driejarenplan tot een succesvol einde te brengen. De aandrang die ons verlangen naar zulke resultaten nog eens aanscherpt is niet slechts voldoening van een overwinning, hoe bevredigend ook. Er moeten goddelijke deadlines worden gehaald. Het doel van ons werk is niet slechts om onze gemeenschappen te vergroten en haar fundamenten te verstevigen, maar meer in het bijzonder om een positieve invloed uit te oefenen op de aangelegenheden van het hele menselijk ras. Op een dermate beslissend moment in de wereldgeschiedenis mogen wij niet falen in onze plicht om tijdig actie te ondernemen voor de doelen die ons in het driejarenplan zijn gesteld.
9. Met alle vurigheid van ons verwachtingsvolle hart doen wij een beroep op u allen, individueel en gezamenlijk, om op te staan en de oproep van de Heer der Heerscharen te beantwoorden.
[w.g. het Universele Huis van Gerechtigheid]
