HET UNIVERSELE HUIS VAN GERECHTIGHEID
Riḍván 156
Aan de bahá’ís van de wereld
Innig geliefde vrienden,
1. Hoop verwarmt ons hart bij het overzien van wat er bereikt is in het jaar voorafgaand aan het beslissende laatste traject naar de voleindiging van het Vierjarenplan. Vanaf het gedenkwaardige begin van dit jaar met de achtste Internationale Bahá’í Conventie heeft de bahá’í-wereld een stijgend tempo van activiteiten gaande gehouden dat het proces van toetreding in groepen aanmerkelijk heeft bevorderd. Onze gemeenschap is aanzienlijk gegroeid, haar menselijke hulpbronnen zijn rijkelijk versterkt. Van uitbreidingsprojecten tot consolidatiewerk, van sociale en economische ontwikkeling tot externe betrekkingen, van dienstbaarheid van de jongeren tot kunstexpressies, van het Wereldcentrum van het Geloof tot afgelegen dorpen en steden – vanuit welke hoek de gemeenschap ook wordt bezien; er is vooruitgang geboekt. De vooruitzichten voor het Plan zijn zeer bemoedigend.
2. De stuwkracht die tijdens de Internationale Conventie ontstond, doordrong de onmiddellijk daarop volgende Conferentie van Raadgevers, en spoorde de onvermoeibare deelnemers tot nog meer actie aan. Deze stuwkracht werkte tevens door in het verloop van de Nationale Conventies die in mei plaatsvonden, waaronder die van Sabah, Serawak en Slowakije, die voor de eerste maal bijeenkwamen om hun Nationale Geestelijke Raden te vormen. Diezelfde energie bezielde het Internationale Onderrichtscentrum dat, in de korte tijd sinds de aanvang van haar zesde termijn op de viering van de Verkondiging van de Báb, een opmerkelijk potentieel aan de dag heeft gelegd. Omdat zij zich concentreerden op het verfijnen en consolideren van hun organisatie hebben de Raadgevers tijdens dit eerste jaar afgezien van hun gebruikelijke reizen, maar het is te verwachten dat zij hierna hun bezoeken naar verschillende delen van de wereld weer zullen opnemen, teneinde hun bezielende invloed op de succesvolle afsluiting van het Vierjarenplan te versterken.
3. Naast deze gebeurtenissen in het Heilige Land naderen de bouwprojecten op de berg Karmel, die door de gedelegeerden op de Internationale Conventie met zoveel opgetogen verbazing werden aanschouwd, in snel tempo hun geplande voltooiing aan het eind van de eeuw. Met de opening van alle resterende bouwterreinen sinds de vorige Ridván, heeft de snelheid van het werk een nieuw hoogtepunt bereikt. Het Centrum voor de Bestudering van de Teksten en de uitbreiding van het Archiefgebouw worden in gereedheid gebracht om binnen enkele weken in gebruik genomen te worden; de buitenkant van het Internationale Onderrichtscentrum is nu volledig bekleed met marmer, terwijl op alle verdiepingen van het interieur afrondende werkzaamheden in voortgang zijn. Het verlagen van de Hatzionut Avenue, om ruimte te bieden aan de brug die nu de Terrassen van de Graftombe van de Báb aan beide zijden van de weg verbindt, is voltooid en er wordt weer normaal van de weg gebruik gemaakt. De zich ontvouwende pracht van de Terrassen heeft zo sterk de aandacht van het publiek getrokken dat het negentiende terras bovenaan de berg al dagelijks voor bezoekers is opengesteld, hetgeen een enthousiaste respons van de dankbare bevolking heeft opgeroepen. Als onderdeel van een campagne om internationaal de aandacht op de stad te vestigen, heeft de gemeente Haifa een geïllustreerde brochure over de Graftombe van de Báb en de Terrassen uitgegeven, die behalve in het Hebreeuws beschikbaar is in vijf andere belangrijke talen.
4. Wij voelen het als onze taak om melding te maken van tenminste twee andere ontwikkelingen in het Wereldcentrum van geheel andere orde: ten eerste, het besluit om het aantal pelgrims in iedere groep te vermeerderen van 100 naar 150. Dit wordt van kracht wanneer het pas aangekochte gebouw dat gelegen is aan de weg tegenover de rustplaats van het Grootste Heilige Blad opgeknapt zal zijn. Hieraan wordt nu gewerkt, waarna het in gebruik genomen kan worden als een pelgrimsoord en voor andere faciliteiten voor de administratie van een verder uitgebreid pelgrimsprogramma. Ten tweede, de belangrijke vooruitgang die, ondanks de onvermijdelijke traagheid van het proces, wordt geboekt met het plan om teksten uit de Geschriften van Bahá’u’lláh te vertalen voor de publicatie van een nieuw Engels boek met Zijn werken. Er wordt moeite gedaan om de volledige versie te verzorgen van belangrijke Tafelen zoals de Suriy-i-Mulúk en de Suriy-i-Haykal, alsook volledige teksten van Tafelen die gericht zijn aan koningen en heersers. Eveneens zijn de Suriy-i-Ra’is, de Lawh-i-Ra’is en de Law-i-Fu’ad in dit plan opgenomen.
5. De Zaak van Bahá’u’lláh rukt onweerstaanbaar op, versneld door het steeds meer toepassen van een stelselmatige benadering voor het ontwikkelen en gebruikmaken van menselijke hulpbronnen. Het oprichten van steeds meer nationale en regionale trainingsinstituten, nu 344 in getal, heeft deze ontwikkeling voortgestuwd met als resultaat dat, buiten Noord-Amerika en Iran waar talloze cursussen werden gegeven, reeds zo’n 70.000 personen tenminste één instituutscursus hebben voltooid. Dit alles draagt bij aan een groeiend lichaam van overtuigde, actieve voorvechters van de Zaak. De grenzeloze mogelijkheden van deze vooruitgang wordt geïllustreerd door verslagen zoals dat uit Tsjaad, waar in een gebied ondersteund door een instituut meer dan 1.000 mensen het Geloof omarmden door de persoonlijke inspanningen van diegenen die getraind waren. Overal begrijpt men steeds beter de noodzaak van een systematische aanpak van de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen.
6. Parallel met de aangetoonde doeltreffendheid van trainingsinstituten loopt de pragmatische opkomst van Regionale Bahá’í Raden in bepaalde landen waar de omstandigheden de vestiging van deze instellingen noodzakelijk en uitvoerbaar maken. Waar er een nauwe samenwerking bestaat tussen een Regionale Bahá’í Raad en een trainingsinstituut, is de weg bereid voor een bezielende samenhang tussen de processen die de verbreiding en de consolidatie in een gebied bewerkstelligen, en voor het praktisch afstemmen van de trainingsdiensten van instituten op de ontwikkelings-behoeften van plaatselijke gemeenschappen. Bovendien geven de praktische richtlijnen waardoor de Continentale Raadgevers en de Regionale Raden direct toegang hebben tot elkaar, aanleiding tot verdere institutionele betrekkingen die, samen met de band die de Regionale Bahá’í Raden aan de Nationale en Plaatselijke Geestelijke Raden verbindt, een dynamische integratie van taken op regionaal niveau teweegbrengen.
7. Het immer toenemende werk in sociale en economische ontwikkeling heeft ook profijt van de werking van die trainingsinstituten die aandacht schenken aan onderwerpen als alfabetisering, basisgezondheidszorg en de vooruitgang van de vrouw. De meer wijdvertakte inspanningen van het Bureau voor Sociaal-economische Ontwikkeling voor het bevorderen van een mondiaal leerproces over relevante bahá’í-principes worden versterkt door het werk van deze instituten, en eveneens door de opkomst van bahá’í-geïnspireerde organisaties verspreid over de hele planeet. Het is dan ook duidelijk dat het institutionele vermogen om ontwikkelingsprogramma’s te beheren aan kracht wint. Dit blijkt uit projecten die door bahá’í-instellingen worden gesponsord of waartoe persoonlijke initiatieven genomen werden vanuit de inspiratie door het Geloof. Een voortreffelijk voorbeeld van dit laatste is het Unity College, dat werd opgezet door een gezin in Ethiopië als de eerste en, sinds eind 1998, de enige privé-school in het land, met een leerlingental dat in de loop van het afgelopen jaar toenam tot 5.000. Een ander voorbeeld, op kleinere schaal maar desalniettemin van belang, is het initiatief van een gezin in Buffalo, New York: daar, in hun huis, hebben zij tientallen kinderen en jongeren uit de binnenstad bijgestaan om door geestelijke en morele bahá’í-leringen gedragspatronen te ontwikkelen waardoor zij in staat zullen zijn zelfvernietigend gedrag, veroorzaakt door armoede en racisme, te overwinnen.
8. Op het gebied van externe zaken riepen twee tragische gebeurtenissen in Iran de krachtigste acties op. De plotselinge executie in Mashhad in juli vorig jaar van de heer Ruhu’llah Rawhani, de eerste officiële terechtstelling in zes jaar tijd, veroorzaakte een schok die leidde tot wereldwijde en ongekende protesten van regeringen en instellingen van de Verenigde Naties. Eind september zette de geheime dienst van de regering een georganiseerde aanval in op het Bahá’í Instituut voor Hoger Onderwijs, waarbij 36 stafleden werden gearresteerd en er invallen werden gedaan in meer dan 500 huizen in het hele land. Dit laatste incident leidde tot een wereldwijde protestcampagne die nog steeds aan de gang is, waaraan wordt deelgenomen door academische instituten en verenigingen, docenten en studentengroeperingen, en die bijzondere interesse bij de pers wekt, wat blijkt uit het verschijnen van respectabele artikelen in Le Monde, The New York Times en andere belangrijke kranten. Het aannemen in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van alweer een resolutie over Iran, waarin de bahá’ís specifiek genoemd worden, moet zeker zijn beïnvloed door deze twee in het oog lopende uitingen van een niet aflatende godsdienstvervolging.
9. Maar hoe krachtig het beroep op de vrienden in alle delen van de wereld om onze bedreigde broeders en zuster te verdedigen ook is geweest, er is tevens veel aandacht geschonken aan een breed scala van inspanningen op het gebied van externe betrekkingen. De vier maanden durende missie die werd ondernomen door een afgezant van het Huis van Gerechtigheid, de heer Giovanni Ballerio, naar eilanden in de Grote Oceaan, waar hij ontmoetingen had met 22 staatshoofden, 5 regeringsleiders en meer dan 40 andere hooggeplaatste ambtenaren; de op dringend verzoek van het Verenigde Naties Bureau van Bahá’í International Community ondernomen inspanningen van een aantal Nationale Raden om de mensenrechteneducatie te bevorderen; de deelname, op uitnodiging, van vertegenwoordigers van de Zuid-Afrikaanse Bahá’í-gemeenschap aan het werk van de Waarheids- en Verzoeningscommissie, waarbij zij verslag konden doen van hun staat van dienst van onverschrokken steun aan raciale eenheid gedurende alle jaren van apartheid; de recente successen van gemeenschappen in Australië, Brazilië, Finland en Portugal met het verkrijgen van het besluit van onderwijsautoriteiten om het Bahá’í-geloof op te nemen in het curriculum voor basis- en voortgezet onderwijs – dit zijn, naast de voorlichtingsprojecten die langs alle mediakanalen publiciteit hebben verschaft, voorbeelden van de breed opgezette ondernemingen op het gebied van externe betrekkingen waaraan de gemeenschap haar krachten heeft gewijd.
10. Een hiermee samenhangende vloed van activiteiten behelsde ook het gebruik van kunst, waarvan de muzikale en andere artistieke uitvoeringen in verband met de viering in Parijs van het eeuwfeest van de vestiging van het Geloof in Europa een voortreffelijk voorbeeld waren. Het koor ‘Voices of Bahá’, met 68 leden afkomstig uit Europa en Noord- en Zuid-Amerika, bracht in acht Europese steden het publiek in vervoering en maakte aan velen het Geloof bekend. ‘Light and Fire’, het voltooide deel van een opera/ballet waaraan wordt gewerkt door bahá’í componist Lasse Thoresen uit Noorwegen, werd afgelopen september met succes uitgevoerd op het prestigieuze Poolse muziekfestival dat bekend staat als de Warschause Herfst, en dat geopend werd door de koningin van Zweden. Het werk is gebaseerd op recente heldendaden van de martelaren in Iran, een gegeven dat het publiek met het Geloof bekendmaakte. Dat bij deze specifieke inspanningen Europa duidelijk het voortouw heeft genomen werd eveneens duidelijk bij het Oostenrijkse Kamermuziekfestival, toen het Oostenrijkse Kruis voor Kunsten en Wetenschappen, de hoogste toekenning op dit gebied, door de president van de republiek werd uitgereikt aan de heer Bijan Khadem-Missagh, een bahá’í violist en dirigent. Bij een programma dat op datzelfde festival ten uitvoer werd gebracht werden passages uit bahá’í- en andere heilige geschriften gedeclameerd. Een woord van erkenning verdient echter ook de opmerkelijke rol die overal ter wereld door jongeren wordt gespeeld bij hun toepassing van kunst voor het onderrichtswerk; met name voorstellingen van hun dance-workshops hebben binnen en buiten de bahá’í-gemeenschap vermaardheid verworven.
11. Op grond hiervan gaan wij deze Riḍvánperiode in als een gemeenschap die in een dynamische staat van transformatie verkeert, die een samenhang in visie en actie geniet, overeenstemmend met het doel het proces van toetreding in groepen te bevorderen. En wij beginnen dit laatste jaar van het Plan met een versterking in bestuurlijke kracht, daar drie landen in Europa – Letland, Litouwen en Macedonië – hun eerste Conventies samenroepen om Nationale Geestelijke Raden te vormen, en zo het aantal pilaren van het Universele Huis van Gerechtigheid te vermeerderen tot 182. Maar voorbij dit feestelijke moment ligt een opeenvolging van vooruitzichten waarbij zich allereerst de voleindiging van het Vierjarenplan op Riḍván 2000 aandient. Dit wordt gevolgd, op de de Dag van het Verbond van datzelfde jaar, door de aanvang van een nieuwe ambtstermijn voor de Continentale Colleges van Raadgevers. De leden van deze Colleges zullen spoedig daarna naar het Bahá’í Wereldcentrum geroepen worden voor een conferentie waarop, onder andere, de elementen van het volgende mondiale onderrichts- en consolidatieplan besproken zullen worden. De Raadgevers-conferentie markeert het moment waarop het Internationaal Onderrichtscentrum zijn permanente zetel in gebruik zal nemen, een gelegenheid waarbij Hulpraadsleden uit de hele wereld zullen worden uitgenodigd zich bij de Raadgevers in het Heilige Land te voegen. De bouwprojecten op de berg Karmel zullen dan voltooid zijn, en de voorbereidingen voor de inwijdingsplechtigheden, die zullen plaatsvinden op 22 en 23 mei 2001, zullen vergevorderd zijn. Hiervoor zal uit elke nationale bahá’í-gemeenschap een aantal vertegenwoordigers worden uitgenodigd. De bijzonderheden aangaande deze gebeurtenissen worden te zijner tijd bekendgemaakt.
12. Deze toekomstverwachting van ontzagwekkende gebeurtenissen doorsnijdt de tijdsscheiding tussen de twintigste eeuw en het nieuwe millennium, volgens de huidige tijdsrekening. Het is een toekomstverwachting die het contrast onderstreept tussen de zekere visie waardoor de opbouwende inspanningen van een verlichte gemeenschap worden voortgestuwd, en de verwarde angsten waardoor miljoenen mensen gegrepen worden, mensen die zich tot nu toe onbewust zijn van de Dag waarin zij leven. Verstoken van betrouwbare leiding staan zij stil bij de verschrikkingen van de eeuw, in wanhoop over wat die voor de toekomst kunnen betekenen, nauwelijks beseffende dat deze zelfde eeuw een licht in zich draagt dat over de komende eeuwen zal uitstralen. Slecht uitgerust om de maatschappelijke ophef die over de hele planeet speelt te verklaren, lenen zij het oor aan onheilspredikers en zinken zij steeds dieper in het moeras van wanhoop. Verontrust door noodlottige voorspellingen voeren zij strijd met de schimmen van een verkeerd gevormde verbeelding. Onbekend met de transformerende visie die genadiglijk is verleend door de Heer des Tijds, strompelen zij voort, blind voor de weergaloze nieuwe Dag van God.
13. De beklagenswaardige omstandigheden die zulk een geestestoestand met zich meebrengt, kunnen ons alleen maar aanzetten tot actie, niet aflatende actie, om het oogmerk te vervullen van een plan dat als voornaamste doel heeft het proces te versnellen waardoor het voor steeds grotere delen van de wereldbevolking mogelijk zal worden om het Doel van hun zoektocht te vinden en zo een leven van eenheid, vrede en welvaart op te bouwen.
14. Lieve vrienden: de dagen gaan voorbij als een glinstering van een ster. Druk nu uw stempel, op dit cruciale keerpunt van een tijdsgewricht dat zijns gelijke nooit zal kennen. Drukt dat stempel in daden die u van hemelse zegeningen zullen verzekeren – en die voor u, voor de gehele mensheid, een toekomst zullen garanderen die iedere aardse berekening te boven gaat.
[Getekend: Het Universele Huis van Gerechtigheid]
