HET UNIVERSELE HUIS VAN GERECHTIGHEID
12 januari 2004

Aan de Iraanse gelovigen woonachtig buiten Iran

Innig geliefde vrienden,

U zult inmiddels in de gelegenheid zijn geweest om kennis te nemen van onze algemene brief van 26 november 2003, gericht aan de volgelingen van Bahá’u’lláh die in de bakermat van het Geloof verblijven. Het onderwerp heeft grote implicaties voor degenen onder u die elders op de wereld wonen, implicaties die uw devote overweging vragen.

Hoewel allerlei vormen van mishandeling nog altijd een beperking inhouden voor hetgeen de vrienden in Iran kunnen bereiken en er nog onvoorspelbare gevaren in het verschiet kunnen liggen, is de georganiseerde campagne om de Zaak daar te vernietigen duidelijk mislukt. “De vijanden van God”, verklaart Bahá’u’lláh, “pogen het Licht te doven door onderdrukking, zonder er acht op te slaan dat de Hand van goddelijke macht hun onderdrukking verandert in olie die de helderheid van de Lamp doet toenemen.” De tot dusver behaalde overwinning heeft de bahá’í-wereld te danken aan de wisselwerking tussen twee morele krachten. De eerste was het heldendom van de Iraanse gelovigen zelf en hun standvastige weigering om, geconfronteerd met de ergste mishandelingen die hun vijanden hun konden toebrengen, hun geloof te compromitteren. De tweede was de vastbeslotenheid van Nationale Geestelijke Raden over de hele wereld om gezamenlijk internationaal protest aan te tekenen, de aandacht van invloedrijke media aan te trekken, en te verzekeren dat de misdaden begaan tegen hun broeders en zusters in Iran een vast onderdeel vormden van de lopende aanklacht van de VN Commissie voor de Rechten van de Mens tegen de Iraanse schending van universeel aanvaarde normen.

Parallel aan de werking van deze krachten was er een in de jaren tachtig gestart intensief programma om duizenden Iraanse vluchtelingen te redden die ofwel het gevaar liepen om geselecteerd te worden voor een aanval, of zonder geldige paspoorten gestrand waren in landen waar zij dienden als pioniers. Velen van u hebben profijt gehad van deze zeer succesvolle onderneming, en velen van u hebben de nationale bahá’í-gemeenschappen die u verwelkomden terugbetaald door u vol overgave in het onderrichtswerk te storten. In het ene na het andere land waren uw successen­ – en die van uw zonen en dochters – van vitaal belang voor de vooruitgang van de Zaak.

In Iran zal de gemeenschap van uw medegelovigen steeds meer in staat zijn de aandacht te richten op de rol die zij voorbestemd is te spelen in de regeneratie van het land, zoals voorzien in de woorden van ‘Abdu’l-Bahá die werden aangehaald in onze algemene brief: “Iran zal een brandpunt van goddelijke pracht worden. …hoewel nu berooid en wanhopig, zal ze overvloedige gunsten ontvangen, aanzien verwerven en blijvende eer verkrijgen.” Zo een bijdrage zal een beroep doen op alle vermogens, geestelijke, morele en praktische, die in de vuurproef van het lijden zijn getoetst.

Het zou ondenkbaar zijn dat een zo nobele strijd gehinderd zou worden door onverstandig handelen van de zijde van gelovigen buiten Iran. Het is duidelijk dat de vijanden van het Geloof, nu zij er niet in geslaagd zijn het door geweld te vernietigen, zich nu vastklampen aan de hoop de invloed ervan te beperken door de emigratie van bahá’ís aan te moedigen. Wij roepen de Iraanse bahá’ís in de hele wereld op om de uiterste zelfdiscipline te betrachten in hun contacten met hun medegelovigen in de bakermat van het Geloof, om zich te onthouden van alle voorstellen die, hoe onbedoeld ook, de historische onderneming die Bahá’u’lláh in gang heeft gezet, zouden kunnen ondermijnen. Er op aan te dringen dat wie ook van de vrienden in Iran die de beproevingen van deze afgelopen jaren heeft weerstaan nu in overweging zou moeten nemen het slagveld te verlaten voor de kortstondige voordelen van het wonen in andere landen, zou de Zaak van God ernstige schade berokkenen.

Onder de huidige omstandigheden dienen alleen bezoeken aan Iran gebracht te worden in geval van werkelijke noodzaak en niet voordat alle redelijke voorzorgsmaatregelen genomen zijn. Sommigen onder u kunnen in de omstandigheid geraken dat u vanwege dringende familiezaken of om andere redenen een dergelijke terugreis moet maken. Wanneer u dat doet dient u zich ervan te verzekeren dat u op juiste wijze aan alle verplichtingen die u, als vluchteling, hebt jegens de overheid van het land waar u verblijft, hebt voldaan. In bepaalde gevallen zult u de mogelijkheid om in Iran te blijven kunnen overwegen, en de vaardigheden en middelen die u elders hebt vergaard ten dienste stellen van de inspanningen van de gemeenschap in de bakermat van het Geloof. Of zo een terugkeer nu voor kortere of langere tijd is, u zult toch uiterste zorgvuldigheid moeten betrachten om het opzichtig vertonen van materiële zaken of het voeren van ongepaste gesprekken te vermijden, omdat dit voor vrienden die al ruimschoots hun deel van de beproevingen hebben moeten ondergaan tot nog meer moeilijkheden zou kunnen leiden.

De gelovigen in Iran die Bahá’u’lláh deed opstaan, die Hij vormde en heeft voorbereid voor Zijn Doel, vertegenwoordigen een hulpbron voor de Zaak – niet alleen in Iran, maar wereldwijd – waarvan de latente krachten vandaag de dag onmogelijk op waarde kunnen worden geschat. Zij zijn de trots van de bahá’í-wereld en een bron van vreugde voor ons hart. Wij vertrouwen erop dat wanneer u, die in andere delen van de wereld woonachtig bent, de hier besproken kwesties overdenkt, vastbesloten zult zijn om alles in het werk te stellen om de toewijding van de groep heldhaftige zielen in de bakermat het Geloof, van wiens standvastigheid zoveel blijft afhangen, zult versterken en aanmoedigen.

Onze gebeden zullen uit uw naam in de heilige Graftomben worden opgedragen.

Met liefdevolle bahá’í-groet,

[Getekend: Het Universele Huis van Gerechtigheid]