HET UNIVERSELE HUIS VAN GERECHTIGHEID
16 januari 2001
Aan de bahá’ís van de wereld
Innig geliefde vrienden,
1. Terwijl wij u deze brief schrijven, bereikt de Conferentie van Continentale Raadgevers triomferend haar slot.
2. Acht dagen lang hebben de Raadgevers van alle werelddelen over de volgende stap van het proces van toetreding in troepen geconsulteerd. Tijdens de eerste vijf dagen van hun bijeenkomst arriveerden 849 Hulpraadsleden uit 172 landen die vervolgens hun respect betuigden in de heilige graftomben in afwachting van het ogenblik dat zij allen zouden samenkomen voor een opeenvolging van ontroerende gebeurtenissen: het opgaan van de pas gebouwde terrassen op de berg Karmel, een omgang rond de graftombe van de Báb, een processie over het Arc-pad voor een bezoek aan het gebouw van het Internationaal Onderrichtscentrum, een gewijde plechtigheid ter gelegenheid van de ingebruikname door het Internationaal Onderrichtscentrum van zijn permanente zetel, en vervolgens gezamenlijke consultaties over hun onmisbare rol in het Vijfjarenplan waar de bahá’í-wereld met Riḍván 2001 aan zal beginnen.
3. De zorgvuldige beraadslagingen van de Raadgevers zelf vormden het hart van deze overweldigende activiteiten. Hun consultaties werden gekenmerkt door een combinatie van ingetogenheid en uitgelatenheid die de aard van hun besprekingen en verlichte begrip verfijnden. Uit de vertrouwelijke sfeer waarin de beraadslagingen plaatsvonden wordt duidelijk dat de instelling een nieuwe mate van volwassenheid heeft bereikt. Hoewel zij voornamelijk individueel opereren, heerst er bij de Raadgevers door alle colleges heen eenheid van gedachte. Door het zich eigen maken en samenvoegen van de lessen en ervaringen van het systematiseren waar in het Vierjarenplan toe werd opgeroepen, zijn zij inderdaad omgevormd tot werktuigen voor gezamenlijk denken. Wij realiseren ons dat de nieuwe hoogten in de evolutie van deze instelling tevens een weerspiegeling is van de mate waarin, onder hun voortdurende en wijze leiding, de geestelijke raden en andere instellingen van de wereldgemeenschap zich hebben ontwikkeld.
4. Toen de tijd van de conferentie naderde, waren er tekenen dat het Geloof een punt in zijn ontwikkeling had bereikt waarachter zich een nieuwe horizon voor ons opende. Hierop duidden wij in ons verslag afgelopen Riḍván van de verandering in de cultuur in de bahá’í-gemeenschap die plaatsvond met het opkomen van trainingsinstituten, met de voltooiing van de bouwprojecten op de berg Karmel, en met het meer op elkaar afgestemd raken van het interne proces van de consolidatie van de instellingen en het externe proces in de richting van wereldeenheid. Dit werd tot in detail besproken in de boodschap aan de conferentie van de Continentale Colleges van Raadgevers enkele dagen geleden. Maar door de uitzonderlijke dynamiek die door de hele conferentie heen werkte kristalliseerde deze tekenen uit in een onderscheiden realiteit. In een geest van vervoering worden wij tot de volgende aankondiging bewogen: het Geloof van Bahá’u’lláh treedt nu het vijfde tijdvak van het Vormende Tijdperk binnen.
5. De erkenning van deze mijlpaal valt binnen het patroon dat door Shoghi Effendi werd vastgesteld om perioden in de geschiedenis van de Zaak te markeren. Als onderdeel hiervan voorzag hij een opeenvolging van epoques gedurende het vormende tijdperk. Het moet iedere toegewijde volgeling van Bahá’u’lláh wel met blijdschap en verwondering vervullen dat Zijn bestuursstelsel zo’n belangrijk punt heeft bereikt op zo’n cruciaal moment, wanneer zo veel leden van het orgaan van de Raadgevers in schitterende slagorde verzameld zijn in het Wereldcentrum van Zijn Geloof. Zij keren als brandende fakkels terug naar de verre uithoeken van de aarde, in vlam met de geest van dienstbaarheid. Het lijdt geen twijfel dat zij met vernieuwde energie hun activiteiten ter hand zullen nemen. Hun inspanningen zullen het pad dat lijdt tot het succes van het Twaalfmaandenplan, en vervolgens tot de start van de vijfjaar durende onderneming die de eerste zal zijn in een opeenvolging van plannen tot het eeuwfeest van het vormende tijdperk, zeker verbreden.
6. De Raadgevers zien bij hun vertrek uit naar spoedige consultaties met de Nationale Geestelijke Raden over de uitwerking van het komende plan in ieder land. In samenwerking met hun vurig enthousiaste hulpraadsleden zullen zij ook assisteren om het vereiste planningsproces in de verschillende regio’s en plaatsen in ieder land op gang te brengen en te volvoeren.
7. In de vliedende tijd die ons in deze veelbewogen dagen nog rest keert ons hart zich in nederige dankbaarheid tot de Gezegende Schoonheid voor de overvloed aan zegeningen die Hij heeft uitgestort. De grond van de Karmel zelf is in beroering door de wonderen van Zijn genade wanneer zij de verlossende roep beantwoordt die Hij in de Tafel die haar naam draagt uit. De vurige wens die Hij daarin verwoordt klinkt door in de ziel van Zijn minnaars over de gehele planeet: “O, hoe verlang Ik ernaar de blijde boodschap van deze Openbaring op elke plek der aarde te verkondigen en naar iedere stad te brengen.” De vrienden die nu temidden van de pracht in het hart van de Karmel zijn verzameld, hebben het met een nieuw oor gehoord, en hebben hun gelofte om aan dit hemelse verlangen gehoor te geven vernieuwd. Mogen hun heldendaden in de naam van Bahá de geur van Zijn openbaring verder verspreiden, de grondvesten van Zijn instellingen verstevigen, de activiteiten van Zijn wereldwijde gemeenschap verstouten tot meer vastberadenheid, daarmee het proces voorwaarts stuwend waardoor troep na troep de veste van de Ark van verlossing zal binnentreden.
[Getekend: Het Universele Huis van Gerechtigheid]
Cc: Internationaal Onderrichtscentrum
Colleges van Raadgevers
Raadgevers
