HET UNIVERSELE HUIS VAN GERECHTIGHEID
Afdeling van het Secretariaat
8 februari 2001

Aan alle Nationale Geestelijke Raden

Geliefde bahá’í-vrienden,

De toepassing van de Wetten en Verordeningen van de Kitáb-i-Aqdas

Op 19 mei 1993 werd aan elke Nationale Geestelijke Raad een kopie gestuurd van de brief die op 9 juni 1974 gezonden werd aan de Nationale Geestelijke Raad van IJsland, waarin een lijst werd vermeld van de wetten die op dat tijdstip nog niet bindend waren voor de Westerse wereld. In de begeleidende brief van 1993 werd vermeld dat de Wet van Huqùqu’lláh met Ridván 1992 van kracht werd voor de gehele wereld. Op 29 december 1999 schreef het Universele Huis van Gerechtigheid aan de bahá’ís in de hele wereld om hen te informeren over de wereldwijde invoering van de laatste aspecten van de wet betreffende het verplichte gebed en het vasten.

Om de informatie hierover up to date te maken, werd ons gevraagd u de bijgaande lijst te zenden van de wetten die nog niet wereldwijd van kracht zijn, zodat de lijst van mei 1993 vervangen kan worden.

Met liefdevolle bahá’í-groeten
Carol Sprague
Voor de afdeling secretariaat.

WETTEN VAN DE KITAB-I-AQDAS DIE NOG NIET VAN KRACHT ZIJN

28 december 1999

Na het wereldwijd van kracht worden van de wetten van het gebed, het vasten en het reciteren van de Grootste Naam, heeft het Universele Huis van Gerechtigheid zorg gedragen voor de onderstaande lijst van wetten opgetekend in de Synopsis en Codificatie van de Kitáb-i-Aqdas vermeld staan die op dit moment niet algemeen bindend zijn voor de vrienden. De nummers van de paragrafen zijn vermeld om deze gemakkelijk te kunnen raadplegen.

IV.C.1.i De wetten betreffende verloving
IV.C.1.j De wet betreffende het betalen van een bruidschat door de bruidegom aan de bruid bij het huwelijk
IV.C.1.l & m De wetten betreffende het op reis gaan van de man zonder zijn echtgenote
IV.C.1. n & o De wetten betreffende de maagdelijkheid van de vrouw
IV.C.2.b Het deel van de wet betreffende echtscheiding dat betrekking heeft op het betalen van boete aan het Universele Huis van Gerechtigheid
IV.C.3 De wet over het erfrecht. Deze wordt thans normaliter geregeld door de burgerlijke wetten voor  overlijden zonder nalaten van een testament
IV.D.1.a De wet betreffende de pelgrimsreis
IV.D.1.d De wet betreffende de Mashriqu’l-Adhkár wordt geleidelijk van kracht
IV.D.1.f De bahá’í-feesten worden door de vrienden in het Westen gevierd op de data volgens de Gregoriaanse kalender totdat het Universele Huis van Gerechtigheid het wenselijk vindt om aanvullende wetgeving bekend te maken voor de volledige invoering van de Badí’-kalender.
IV.D.1.j De volwassen leeftijd van bahá’ís totnogtoe alleen van toepassing op de religieuze verplichtingen. In andere gevallen zaken geldt de burgerlijke wetgeving in elk land. De leeftijd voor bestuurlijke volwassenheid in de bahá’í-gemeenschap is op dit moment nog vestgesteld op 21 jaar.
IV.D.1.k In het Westen is de enig bindende voorschriften dat de doden  begraven moeten worden (niet gecremeerd), hen niet meer dan één uur gaans van de plaats va overlijden  te vervoeren en het Gebed voor de Overledenen  te zeggen als de overledene een gelovige ouder dan 15 jaar is.
IV.D.1.p De wet van de tienden.
IV.D.1.r De wet betreffende het jagen op dieren.
IV.D.1.t, u, v & w De wetten betrekking hebbende op het vinden van verloren voorwerpen, het beschikken over gevonden schatten waarvan de eigenaar onbekend is, de overdracht van in beheer gegeven goederen en schadeloosstelling in geval van doodslag zijn alle bedoeld voor een samenleving in de toekomst. Deze zaken worden meestal geregeld door de burgerlijke wetgeving in ieder land.
IV.D.1.y, xiv, xv, xvi & xvii Brandstichting, overspel, moord en diefstal zijn alle verboden voor bahá’ís, maar de straffen die in de Kitáb-i-Aqdas  voor deze misdaden voorschrijft zijn bestemd voor een toekomstige samenleving. Deze zaken worden meestal geregeld door de burgerlijke wetgeving in ieder land.
IV.D.1.y, xxv, xxx, xxxi & xxxii De wetten die het gebruik verbieden van het soort baden zoals die in Perzië gevonden worden, die verbieden dat men zijn hand in voedsel steekt, zijn hoofd kaal scheert en de het hoofdhaar laat groeien tot over de oorlel.

Al de  aansporingen die in sectie IV.D.3 worden opgesomd zijn thans in de hele wereld van kracht  in zoverre het voor de vrienden mogelijk is om ze na te komen; zo kan bijvoorbeeld de aansporing om de kinderen de Heilige Verzen te leren zingen in de Mashriqu’l Adhkár kan nu alleen op beperkte schaal letterlijk in praktijk worden gebracht, maar de vrienden kunnen niettemin hun kinderen naar best vermogen onderrichten in de heilige geschriften.