HET UNIVERSELE HUIS VAN GERECHTIGHEID
31 december 2025
Aan de Conferentie van de Colleges van Raadgevers
Innig geliefde vrienden,
1. De eerste fase van het Negenjarenplan heeft de aanzienlijke krachten van de bahá’í-gemeenschap zichtbaar gemaakt. De ongekende energie en vastberadenheid waarmee het Plan werd gelanceerd – tijdens de meer dan 10.000 bijeenkomsten van bahá’ís en geïnteresseerde vrienden – zorgde ervoor dat men zich snel bewust werd van de doelen en het bijzondere karakter ervan. Daarop volgde onmiddellijk actie. Wij verwachten dat tegen Riḍván in ongeveer de helft van de 160 landen en regio’s waar bij de start van het Plan nog geen cluster de derde mijlpaal had bereikt dit nu wel het geval zal zijn, een spectaculaire prestatie. Hierdoor is waardevolle ervaring opgedaan, niet in de laatste plaats door de toegewijde inspanningen van een indrukwekkend aantal individuen die zich hebben ingezet als onderdeel van een gecoördineerde strategie van pionierswerk. Tegelijkertijd is in alle landen bijzondere aandacht besteed aan derde mijlpaal-clusters, waardoor de grenzen van het leren aanzienlijk zijn verlegd en de maatschappijopbouwende kracht van het Geloof steeds duidelijker wordt. Veel van deze clusters fungeren als reservoirs van kennis en hulpbronnen voor de omringende clusters, wat overal van cruciaal belang blijkt te zijn voor het groeiproces. Sterker nog, de snelle beweging van clusters voorbij de eerste, tweede en derde mijlpaal vereist dat dit patroon wordt versterkt en op grote schaal herhaald. Want hoe tevreden we ook zijn met de geboekte vooruitgang, het is duidelijk dat er nog een enorme taak voor ons ligt als elke nationale bahá’í-gemeenschap de ambities voor de beweging van clusters wil verwezenlijken die zij zichzelf bij het begin van het Plan heeft gesteld. Er is een dringende noodzaak om de capaciteiten die nodig zijn om een groeiprogramma te intensiveren op grotere schaal te cultiveren. Het belangrijkste referentiepunt voor dit werk – en voor al het werk van het Negenjarenplan – blijft natuurlijk onze boodschap van 30 december 2021, maar in deze paar pagina’s zullen we trachten een aantal inzichten bieden die naar voren zijn gekomen uit de inspanningen van gemeenschappen, instellingen en individuen bij de uitvoering van het Plan.
*
2. In clusters en in wijken en dorpen waar aanzienlijke vooruitgang is geboekt, ongeacht het vertrekpunt, was een essentiële factor het vermogen van de vrienden in de grassroots om samen te leren, waarbij ze inzichten uit hun eigen ervaring combineerden met die van gevorderde gemeenschappen in de buurt of verder weg, zonder het gevoel te hebben dat ze een vaste formule moesten toepassen. Hoewel de fundamentele kenmerken van een groeiprogramma – het doel, de leidende principes en de elementaire middelen – overal hetzelfde zijn, is groei een organisch proces, geen mechanisch proces. In een dergelijk proces hangt de vooruitgang op elk moment af van het behouden van een helder begrip van de prioriteiten die in een bepaalde plaats gelden en, zoals wij in onze boodschap aan uw conferentie van 2021 benadrukten, van het lezen van de zich ontwikkelende werkelijkheden en het toepassen van benaderingen passend bij de lokale omstandigheden.
3. De derde mijlpaal is een markering in een traject waarvan het begin goed wordt begrepen. Wanneer zij eenmaal is gepasseerd, wordt duidelijk dat clusters waar de vooruitgang is geconsolideerd, belangrijke kenmerken gemeen hebben. De programma’s van het instituut worden ondersteund door een relatief omvangrijke en groeiende groep van menselijke hulpbronnen. Er wordt inspanning geleverd om meer wijken en dorpen in staat te stellen een intensief niveau van activiteit te bestendigen. Er is capaciteit ontstaan om grote aantallen te omarmen en met toenemende complexiteit om te gaan, zowel via formele als informele organisatievormen. Van doorslaggevend belang is dat er in deze clusters consistent aandacht wordt geschonken aan het in stand houden van effectieve cycli, zodat er een regelmatige puls is van studie, consultatie, actie en reflectie, waardoor de gemeenschap haar vermogen versterkt om te groeien en bij te dragen aan de vooruitgang van de samenleving waarvan zij deel uitmaakt. Deze cycli omvatten perioden van bijzondere intensiteit, een injectie van energie die betrokkenheid stimuleert van een zo breed mogelijke kring van vrienden. Gemeenschapsprojecten zoals familiefestivals, jeugdkampen, dienstbaarheidsprojecten, kunstprojecten en collectieve onderrichtsinitiatieven volgen elk hun eigen ritme. Gelegenheden voor reflectie brengen vele vrienden bijeen en het gebruik van dergelijke bijeenkomsten is doordacht en weloverwogen – men is zich ervan bewust dat de kwaliteit en het nut van reflectie worden afgemeten aan de doelgerichte actie die eruit voortvloeit. Vanuit deze clusters stromen hulpbronnen naar omliggende clusters om de vrienden daar te helpen versneld vooruitgang te boeken.
4. Wij hebben met bijzondere belangstelling waargenomen hoe er een uitgesproken gemeenschapsgevoel ontstaat onder alle betrokkenen bij de activiteiten in derde mijlpaal-clusters, zelfs wanneer dit gevoel in de bredere samenleving niet erg sterk is. Dit komt vaak tot uitdrukking als een gevoel van erbij horen en als een besef van gezamenlijke inspanning en wederzijdse steun. Deze en andere vorderingen op cultureel niveau worden vooral zichtbaar in de centra van intensieve activiteit binnen het cluster: niet alleen afgemeten aan de deelname van een aanzienlijk deel van de bevolking, maar in iedere wijk of ieder dorp waar grote aantallen worden aangetrokken door de programma’s en activiteiten van de gemeenschap. Ook is er een toename van uiteenlopende samenwerkingsverbanden die in hoge mate bijdragen aan het ontwikkelen of hervormen van een gedeelde sociale identiteit en een gemeenschappelijk doel. Tot deze verbanden behoren de groepen gezinnen en huishoudens waarover wij in 2021 spraken, maar ook andere natuurlijke groeperingen, zoals vrouwen of jongeren, agrariërs of opvoeders, en jeugdgroepbegeleiders of kinderklasleraren, vaak ondersteund door een netwerk van vrienden. Groepen van deze aard beginnen hun eigen inspanningen te organiseren om een bepaald aspect van het leven van de gemeenschap te verbeteren, en zij bevorderen een bredere deelname aan die inspanningen. Met andere woorden, zij helpen de groei en ontwikkeling van de gemeenschap om zelfvoorzienend te worden en zij doen dit zonder dat nieuwe lagen in de bestuursstructuur nodig zijn. Dit is veelzeggend. Het toont het ontluikende vermogen van de gemeenschap om een zichtbare voorvechter in het Plan te zijn. Gesterkt door het volle vertrouwen en de liefdevolle begeleiding van de instellingen bepaalt de gemeenschap met creativiteit en vindingrijkheid de koers van haar eigen ontwikkeling en verkent zij hoe de principes in Bahá’u’lláh’s Openbaring kunnen worden toegepast op de vraagstukken waarmee het binnen zijn directe werkelijkheid wordt geconfronteerd.
5. Het is niet verwonderlijk dat de gemeenschapsinitiatieven die wij u in 2021 hebben beschreven, vaak voortvloeien uit de bovengenoemde samenwerkingsverbanden. Deze bescheiden maar duurzame initiatieven voor maatschappelijke actie zijn vormen van een gebied van inspanning dat natuurlijk vanaf het begin impliciet deel uitmaakte van een groeiprogramma; zelfs in de allereerste cursussen van het instituut wordt capaciteit opgebouwd voor acties die bijdragen aan de verbetering van de wereld en voor betekenisvolle gesprekken over zaken van maatschappelijk belang. In de afgelopen vier jaar is het aantal gemeenschapsinitiatieven dat voortvloeit uit de activiteiten van het Plan aanzienlijk toegenomen. Sommige zijn ook tot stand gekomen dankzij de bemoediging, training en hulp van een bahá’í-geïnspireerde organisatie. Al deze initiatieven ontstaan vaker op plaatsen waar het proces van gemeenschapsopbouw aanzienlijk is gevorderd, en wij waarderen de steun die u en uw Hulpraadsleden, evenals de Plaatselijke Geestelijke Raden, aan dergelijke initiatieven hebben geboden. De voorwaarden die het mogelijk maken dat deze in uiteenlopende settings overal ter wereld ontstaan en tot bloei komen, worden actief onderzocht door de Bahá’í International Development Organization, waaronder ook hoe sommige van deze initiatieven zich na verloop van tijd ontwikkelen tot gemeenschapsorganisaties.
6. Centraal in de vooruitgang van een gemeenschap staat natuurlijk het instituutsproces. Zolang in een cluster de capaciteit om met grote aantallen te werken nog wordt opgebouwd, is het vanzelfsprekend dat de inspanningen van het instituut zich vrijwel uitsluitend richten op het opleiden van menselijke hulpbronnen die specifieke daden van dienstbaarheid kunnen verrichten. Maar na verloop van tijd, wanneer de derde mijlpaal is gepasseerd en bepaalde centra van intensieve activiteit aan kracht hebben gewonnen, zal het instituut ook dieper nadenken over het systematisch en doeltreffend verstrekken van de programma’s die het aanbiedt, van kindertijd tot volwassenheid, en aan de verbreiding van deze programma’s in andere delen van het cluster. Er worden lessen voor kinderen in alle leerjaren geïntroduceerd, het aantal teksten dat in jeugdgroepen wordt bestudeerd neemt toe en de deelname aan beide programma’s blijft jaar na jaar op peil, hetgeen deze activiteiten een hogere graad van formalisering geeft. Vaak steunen deze vorderingen op de dienstbaarheid die wordt verleend door een groeiende groep jongeren. De inspanningen van het instituut worden geleidelijk gecomplementeerd door aanvullende educatieve initiatieven voor de ontwikkeling van een bevolking, zoals programma’s die bahá’í-geïnspireerde materialen gebruiken, evenals cursussen die beschikbaar zijn in de bredere samenleving, of zelfs, op sommige plaatsen, een gemeenschapsschool. In onze boodschap van 30 december 2021 spraken wij de hoop uit dat aandacht zou worden besteed aan het helpen van jongeren om toegang te krijgen tot opleidingsmogelijkheden, en wij zijn verheugd te zien dat in deze behoefte op uiteenlopende manieren wordt voorzien, onder meer via naschoolse begeleiding en ondersteuning voor jongeren die hoger onderwijs wensen te volgen. Naarmate een breed onderwijstraject vorm begint te krijgen, voelt een gemeenschap een grotere verantwoordelijkheid om elk van haar leden, in het bijzonder de jongeren, te stimuleren en aan te moedigen om langs dit traject vooruit te gaan in hun streven naar geestelijke en intellectuele groei.
7. Wij hebben de positieve effecten opgemerkt die voortvloeien uit het vergroten van het bewustzijn in de bredere samenleving van de educatieve waarde van de programma’s van het instituut. Dit omvatte inspanningen om contact te leggen met de ouders en familieleden van kinderen en jeugd, maar ook met ambtenaren en ervaren docenten met wie bahá’ís in contact staan. Dergelijke inspanningen verbreden de steun die de bredere samenleving biedt aan de activiteiten van het instituut, onder meer door publieke instellingen en organisaties, evenals traditionele leiders. Zeker in clusters waar de inspanningen van de bahá’í-gemeenschap een aanzienlijk niveau van zichtbaarheid en waardering hebben bereikt, is het niet ongebruikelijk dat gezagsdragers binnen het lokale bestuur, de publieke dienstverlening en het maatschappelijke veld contact zoeken voor inzicht en samenwerking. De gelovigen en de Plaatselijke Geestelijke Raden die hen vertegenwoordigen staan open voor samenwerking met de maatschappelijke instellingen en verwelkomen dergelijke contacten, terwijl zij waakzaam blijven om niet in politiek verstrikt te raken. Soms hebben wij gezien dat de relatie van de vrienden met onderdelen van het lokale bestuur verder reikt dan samenwerking, en een gevoel van gedeelde missie omvat, gericht op de vooruitgang van de samenleving – een bevolking die zich als één geheel beweegt. In steeds meer plaatsen begint het merendeel van de inwoners de Plaatselijke Raad ook als de hunne te beschouwen, en het licht ziet dat ervan uitstraalt.
8. In 2021 wezen wij op de mogelijkheden die kunnen worden gerealiseerd wanneer bahá’í-activiteiten in een bepaalde plaats wijdverbreid worden; en hoewel het aantal plaatsen waar dit is gebeurd nog relatief bescheiden is, vormen zij een gestaag groter wordend fenomeen. Het betreft specifieke plaatsen binnen een cluster waar de maatschappijopbouwende kracht van het Geloof het meest zichtbaar is. Hier raakt de werking van het Plan verweven met het dagelijks leven van een bevolking op een manier die niet eenvoudig kan worden gemeten of beschreven. In hun gezamenlijke inspanningen en beraadslagingen houden de vrienden in zulke plaatsen zich in toenemende mate bezig met het creëren van gelegenheden waarin mensen consulteren en kennis delen, ontleend zowel aan wetenschap als aan religie, en wegen vinden om die kennis toe te passen op gezinsleven, opvoeding, economische activiteiten, volksgezondheid en andere wezenlijke processen van het gemeenschapsleven, waarbij zij deze met een nieuwe geest bezielen. Gezien de verstrekkende implicaties van wat zich hier voltrekt, doet de term “groeiprogramma” geen volledig recht meer aan dergelijke ontwikkelingen. Hoewel in andere delen van het cluster de groei zich nog in een vroeg stadium kan bevinden, treedt hier, waar de mate van deelname aan bahá’í-activiteiten zo hoog is, een nieuwe werkelijkheid aan het licht terwijl de verhouding van de bahá’í-gemeenschap tot de samenleving zich verder ontwikkelt. Een stralende toekomst wenkt.
*
9. In de natuur brengen combinaties en verbindingen levendigheid en nieuw leven voort; op vergelijkbare wijze ontstaat een bloeiend leerproces uit ontelbare formele en informele interacties en uit de eigenschappen die daaruit voortkomen. Dit proces wordt gekenmerkt door een vrije, ononderbroken uitwisseling van inzichten, ervaringen en ideeën onder de vrienden in de grassroots. Maar daar houdt het niet mee op: het ontvouwt zich verder op regionaal en nationaal niveau en daarbuiten, en op elk niveau wordt leren bevorderd door de dynamische gesprekken die plaatsvinden op plekken die zijn gecreëerd voor reflectie op actie. In deze gesprekken wordt geput uit lessen die voortkomen uit de inspanningen van de wereldwijde bahá’í-gemeenschap binnen het kader van het Plan, evenals uit conclusies die zijn afgeleid uit de analyse van patronen die zich lokaal aftekenen. Deze gesprekken worden natuurlijk mede gevormd door de instellingen en instanties die op elk niveau dienen. Want hoewel individuen, gemeenschappen en instellingen elk een bijdrage hebben te leveren, rust het uiteindelijke mandaat om zorg te dragen voor dit gehele ecosysteem van leren bij de instellingen van het Geloof. Een essentiële vereiste is ervoor te zorgen dat er toereikende organisatievormen bestaan, zowel institutioneel als minder formeel, die het mogelijk maken dat dit ecosysteem floreert, en dat allen die bij het leerproces betrokken zijn verbonden zijn door liefdevolle relaties, doordrongen van een geest van nederigheid en grootmoedigheid.
10. De capaciteit van instellingen en instanties om een leerproces te bevorderen is nauw verbonden met hun vermogen om het werk doeltreffend en efficiënt te besturen. Naarmate de verschillende actielijnen in een plaats zich vermenigvuldigen en elkaar gaan beïnvloeden, zijn Plaatselijke Raden in toenemende mate in staat gebleken om te voorzien in de behoefte aan coördinatie en planning. De Raden delen deze verantwoordelijkheid vaak met clusterinstellingen, en gezamenlijk zien zij erop toe dat advies, hulpbronnen en bemoediging worden gericht naar waar deze het meest nodig zijn, en dat het leerproces zich blijft ontwikkelen. Met name de clusterinstellingen zorgen ervoor dat lessen die in één plaats, of zelfs in een klein deel ervan, worden geleerd, ook de rest van het cluster ten goede komen. Intussen vindt het delen van kennis en inzichten tussen clusters op dezelfde manier plaats als het delen van kennis en inzichten binnen een cluster. De snelle ondersteuning en uitwisseling van ervaringen is mogelijk geworden door de ontwikkeling van samenwerkingsvormen binnen groepen van aangrenzende clusters. Nu in elk land Regional Bahá’í Councils of een Nationaal Groeicomité zijn ingesteld, zijn overal de institutionele middelen aanwezig om het groeiproces op systematische wijze verder te brengen. En op nationaal niveau hebben Nationale Raden, wanneer de veelheid van wat er plaatsvindt daarom vraagt, bepaalde structuren en gelegenheden ontwikkeld die hen helpen om op de hoogte te blijven van wat er wordt geleerd. Uiteraard zou een nieuw element niet worden ingevoerd tenzij de behoeften van groei dit vereisen; toch vragen wij u en uw Hulpraadsleden er alert op te zijn wanneer bestaande organisatievormen op welk niveau van de gemeenschap dan ook moeten evolueren om te beantwoorden aan de vereisten van groei, en vervolgens, in uw interacties met de betreffende instellingen, de totstandkoming van nieuwe organisatievormen in een passende vorm aan te moedigen.
11. Wij hebben ook geconstateerd dat de organisatorische structuren ter ondersteuning van het werk van het trainingsinstituut zich zodanig ontwikkelen dat een leerproces wordt gestimuleerd over de versnelde verspreiding van de programma’s van het instituut, die met de vereiste kwaliteit worden aangeboden. In de beginstadia zijn deze organisatievormen tamelijk eenvoudig, maar naarmate het aantal vrienden in een cluster dat dient als leerkringbegeleider, jeugdgroepbegeleider of kinderklasleraar toeneemt, wordt de behoefte steeds dringender dat zij op een zinvolle manier betrokken zijn bij een collectief leerproces. Het is van vitaal belang dat zij voortdurend met elkaar in gesprek blijven, samen in groepen reflecteren en elkaar ondersteunen bij het ondernemen van actie. Deze patronen van interactie ontwikkelen zich gemakkelijker wanneer de betrokken vrienden effectief worden vergezeld door coördinatoren en de medewerkers die hen bijstaan. Natuurlijk moeten ook coördinatoren in elk cluster zelf worden opgeleid en gaandeweg worden geholpen hun capaciteit te ontwikkelen; doorgaans rust deze verantwoordelijkheid bij regionale of nationale instituutscoördinatoren, wier eigen inspanningen op hun beurt in toenemende mate worden versterkt door teams van vrienden voor elk educatief programma. In de afgelopen vier jaar hebben deze teams veel bijgedragen aan de ondersteuning van de regionale en nationale coördinatoren om seminars te organiseren die de inhoud van een programma in de diepte verkennen, waardoor het mogelijk wordt dat de materialen van het instituut aan grotere aantallen worden aangeboden met steeds meer creativiteit, flexibiliteit en wendbaarheid, maar zonder afbreuk te doen aan de essentiële componenten van een programma.
12. Al die tijd worden de ervaringen en inzichten die voortkomen uit wat een instituut leert, verzameld, geanalyseerd en gedeeld. Dit werk profiteert in hoge mate van bijeenkomsten voor consultatie die periodiek door het instituut worden belegd en die Hulpraadsleden, vertegenwoordigers van de Regional Bahá’í Council of van het Nationaal Groeicomité, menselijke hulpbronnen uit de leerlocatie en andere personen met waardevolle ervaring, bijeenbrengen. De bijeenkomsten van deze samenwerkende groep versterken de verbindingen van het instituut met andere instellingen en instanties en zorgen ervoor dat zijn leerproces zich ontvouwt binnen de ruimere context van leren over het algehele groeiproces. Het instituutsbestuur bevordert tegelijkertijd de versterking van alle andere aspecten van het instituut, met inbegrip van zijn administratieve capaciteit, zodat het een steeds complexer systeem van geestelijke educatie kan ondersteunen. En bijna alle instituten zijn nu in groepen georganiseerd om de stroom van zowel praktische ondersteuning als waardevolle inzichten te faciliteren; de ontwikkeling van deze netwerken is een belangrijke strategie gebleken waarmee instituten snel vooruitgang kunnen boeken.
*
13. Het brengt ons steeds vreugde de in vuur geraakte zielen te zien, waarover wij in onze boodschap aan uw conferentie van 2021 spraken, die in cluster na cluster en in steeds grotere aantallen het Plan van ganser harte uitvoeren en, cruciaal, met toewijding aan het leerproces. Dit is het stevigste fundament voor de vooruitgang die in de tweede fase van het Plan moet worden geboekt.
14. De processen die zich binnen het Plan ontvouwen hebben vanzelfsprekend een diepgaande, transformerende invloed op het individu. Wat wij waarnemen zijn geestdriftige vrienden die leren hun inspanningen nauwer in overeenstemming te brengen met de Wil van God. Door hun betrokkenheid bij het actiekader van het Plan ontdekken individuen manieren om het leven – in al zijn aspecten – te verbeteren: voor henzelf, voor hun kinderen, voor hun grotere familiekring en voor hun gemeenschap. Hun verhoogd geestelijk bewustzijn leidt tot een leven met doel en betekenis, een leven dat is gewijd aan het ontwikkelen van hun door God geschonken mogelijkheden en het werken aan de transformatie van de samenleving. Zij erkennen de waarde van kennis voor het bevorderen van vooruitgang, zetten zich in voor het genereren ervan en delen deze vrijelijk en nederig. Voor hen is leren een gewoonte van de geest, een oriëntatie in al wat zij doen. In elk gelaat zien zij een medezoeker naar de waarheid. Zij wijden zich volledig aan de geestelijke, intellectuele en materiële vooruitgang van een bevolking. Zij laten zich niet uit koers brengen door de aanhoudende afleidingen van de wereld. Gestaag gaan zij voort, geduldig en met volharding, toegewijd aan een langetermijnonderneming. En in het gezelschap van vele anderen bouwen zij toevluchtsoorden van vrede.
15. Telkens weer is gebleken dat, naarmate individuen zich bewuster worden van de betekenis van een zich uitbreidend activiteitenpatroon in hun omgeving, zij graag hun tijd en creatieve energie geven om het verder te ontwikkelen. In bredere zin helpen de gelovigen hun gemeenschap ook door bij te dragen aan het Fonds en door andere vormen van materiële middelen ter beschikking te stellen. Hoewel alle gelovigen dit soort bijdragen schenken, is dit voor sommige welgestelde gelovigen een manier om het Plan vooruit te helpen waarvoor zij in het bijzonder zijn toegerust. Welke vorm iemands bijdrage ook aanneemt, zij vloeit voort uit de unieke wisselwerking tussen enerzijds de behoeften van het Geloof en anderzijds de mogelijkheden die de omstandigheden van ieder individu bieden en de offers die hij of zij ervoor kiest te brengen.
16. En de gelovigen beseffen in toenemende mate welk voorrecht het is een ziel bekend te mogen maken met de missie van Bahá’u’lláh en, daarenboven, met liefde een ziel die bij de poorten van het Geloof staat te helpen binnen te treden. In 2021 vestigden wij de aandacht op dit oneindig kostbare moment in een geestelijke reis. Met belangstelling hebben wij opgemerkt dat sindsdien de vrienden in vele plaatsen hun aandacht hebben gericht op de vraag hoe te herkennen wanneer de stad van het hart zich opent, en op de gesprekken die tot dit moment leiden en die erop volgen. Er valt wat dit betreft nog veel te leren, zowel over het waarnemen van ontvankelijkheid in verschillende situaties als over het herkennen van het moment waarop deze reeds is gerijpt tot geloof.
17. Wanneer iemand terugblikt op zijn leven, kan er geen grotere vreugde en troost zijn dan te weten dat het is doorgebracht met een helder bewustzijn van het goddelijke geneesmiddel; dat geen moeite is gespaard om dit geneesmiddel aan te bieden aan ontvankelijke zielen; en dat in die vluchtige jaren waarin de gelegenheid voorhanden was, zelfs te midden van moeilijkheden, iedere kans is aangegrepen om te beantwoorden aan de intense nood van de mensheid. Met vurigheid en verlangen smeken wij Bahá’u’lláh, telkens wanneer wij ons aan Zijn Drempel begeven, om het welslagen van alle vrienden.
[Getekend: Het Universele Huis van Gerechtigheid]
